EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Doorwerth

Geschichte:

Uitgaande van de vermeldingen van Slichtenhorst, begint de geschreven geschiedenis van het geslacht Dorenweerd met Barend of Berend van Dorenweerd in ca het midden van de 13e eeuw. Berend werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik van Dorenweerd, die volgens Slichtenhorst rond 1280 moet hebben geleefd. In ca 1317 volgde Berend II zijn vader Hendrik op. Berend II werd in 1319 tot de ridders gerekend. Ongeveer tussen 1332 en 1336 werd hij opgevolgd door zijn zoon Hendrik II. In ca 1368 werd Berend III heer van Dorenweerd. Hij werd weer opgevolgd door zijn zoon Robert (1380-1411). Tenslotte trouwde de oudste dochter van Robert met Wouter van Doirnick, die heer van Dorenweerd was in 1412. Alhoewel Van Doirnick pas in 1446 stierf, komt ook zijn zwager, Derk van Wische, in 1419 als heer van Dorenweerd voor. In 1426 ging de Dorenweerd over op de dochter van Derk, Stevina van Wisch, die gehuwd was met Hendrik van Homoet. Vervolgens ging in 1430 de Dorenweerd over op Reinold van Homoet, zoon van Hendrik en Stevina, en in 1431 op Elbert van Alpen (Agnes van Wisch, nicht van Derk, had kennelijk aanspraken op Doorwerth. Zij deed deze over op Van Alpen). Lang kan van Alpen het kasteel niet in bezit gehad hebben: volgens het huisarchief Doorwerth is Reinold van Homoet druk aan het bouwen in 1435. In 1467 ging de Dorenweerd over op Sophia van Byland, die eerst gehuwd was geweest met Reinald van Homoet en vervolgens met Johan van Hemert. Via verdere vererving in vrouwelijke lijn kwam de heerlijkheid achtereenvolgens in bezit van de geslachten Van Rechteren tot Voorst (1522) en Schellart van Obbendorf (1558). Onder Johan Albrecht Schellart van Obbendorf raakte de Dorenweerd fors met schulden bezwaard. In 1667 stond hij noodgedwongen de Dorenweerd af aan zijn hypotheekhouder, de Noordduitsche (rijks-)graaf Anton I van Aldenburg. In 1739 werd graaf Willem Bentick door zijn huwelijk met Charlotte Sophie, gravin van Aldenburg, mede-eigenaar van de Dorenweerd. Na de geboorte van twee zoons liet Charlotte zich echter van hem scheiden. Na de dood van Willem kwam de Dorenweerd in 1774 eerst in handen van Gustaaf F. Bentinck en daarna via een proces weer in handen van Charlotte. Na haar dood in 1800 kwam de Dorenweerd in bezit van William van Aldenburg Bentinck, een zoon van Charlotte's tweede zoon. In 1813 werd William opgevolgd door zijn zoon George W.P. Aldenburg Bentinck, die de bezittingen later overdeed aan zijn jongere broer Charles van Aldenburg-Bentinck. In 1837 werd het in slechte staat verkerende kasteel verkocht aan Jacob A.P., baron van Brakell. Na de dood van de Baron en later van zijn vrouw in 1878, volgde uiteindelijk leegstand. Kleinzoon J.G. Ridder van Rappard verkocht Doorwerth in 1908 aan J. Wroblewski Scheffer. Als bezit van de 'Vereeniging de Doorwerth', opgericht door F.A. Hoefer, wordt het kasteel in 1910 gerestaureerd. Het kasteel werd in 1944 tijdens operatie 'market garden' verwoest. Kort hierna werd door de Vereeniging 'De Doorwerth' met de wederopbouw begonnen. In 1956 werden de werkzaamheden voortgezet onder directie van de stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen. In 1969 werden het kasteel en bijbehorende gronden aan deze stichting overgedragen.

Besitzgeschichte:
Die Geschichte des Geschlechts Dorenweerd beginnt mit Barend oder Berend van Dorenweerd Mitte des 13. Jh.s. Auf Berend folgt sein Sohn Hendrik, der um 1280 gelebt haben soll . Um 1317 tritt Berend II nach seinem Vater Hendrik die Erbfolge an. Die Burg Doorwerth bleibt bis 1412 im Besitz dieser Familie. Durch Eheschließung gelangt die Burg an die Familie van Wische. Die Tochter Stevina van Wisch war verheiratet mit Hendrik van Homoet. Im Jahr 1431 wird die Burg auf Elbert van Alpen übertragen. 1453 lässt Reinalt van Homoet die Anlage aus- oder umbauen und 1467 wird Dorenweerd an Sophia van Byland übertragen, die in erster Ehe mit Reinald van Homoet verheiratet war und später eine eheliche Verbindung mit Johan van Hemert eingeht. Auch die Geschlechter Van Rechteren zu Voorst (1522) und Schellart van Obbendorf (1558) haben die Burg besessen. Im Jahr 1667 wurde Johan Albrecht Schellart van Obbendorf aufgrund finanzieller Probleme gezwungen, die Burg aufzugeben. Er übertrug Dorenweerd an seinen Gläubiger, den norddeutschen (Reichs-)Grafen Anton I von Aldenburg. 1739 wurde Graf Willem Bentick als Ehemann von Charlotte Sophie Gräfin von Aldenburg Besitzer der Burg Dorenweerd. Nach dem Tod Charlottes im Jahr 1800 wurde ihr zweiter Sohn William von Aldenburg Bentinck Besitzer. 1837 wurde die Burg von seinem Erben an Jacob A.P. Baron van Brakell verkauft. Nach dem Tod von dessen Frau im Jahr 1878 wurde die Burg nicht länger bewohnt. Sein Enkel J.G. Ritter van Rappard verkaufte Doorwerth 1908 an J.W. Scheffer. Als Eigentum der 'Vereeniging de Doorwerth', von F.A. Hoefer wurde die Burg ab 1910 restauriert. Während des Zweiten Weltkriegs erfolgte 1944 die Zerstörung der Burg im Zuge der 'operation market garden'. Die Vereinigung 'De Doorwerth'leitete kurz nach 1945 den Wiederaufbau ein. 1956 wurden diese Arbeiten von der Stiftung Vrienden der Geldersche Kasteelen weitergeführt. Im Jahr 1969 erfolgte die Übertragung der Anlage sowie des dazugehörenden Grundbesitzes an diese Stiftung.

Bauentwicklung:

Tussen het midden en het eind van de 13e eeuw is als eerste bouwdeel de oostelijke toren opgetrokken met een afmeting van ca 10 bij 15 meter. Deze toren was omgracht en bestond in oorsprong uit een kelder met waarschijnlijk een verdieping, voorzien van een schilddak. De borstwering zal kantelen hebben gehad. De kelder heeft waarschijnlijk als keuken dienst gedaan, terwijl de begane grond voorzag in de woonruimte voor de heer. In de dikte van de westmuur bevonden zich muurtrappen. De oorspronkelijke toegang bevond zich ook in de westmuur, namelijk achter de huidige ronde traptoren. Wat volgens de stand van het onderzoek het meest voor de hand ligt, is dat vervolgens in de tweede bouwfase drie ruimten zijn toegevoegd aan de westmuur van de oostvleugel. Deze bestonden uit een poorttoren in het westen, een tweede ruimte erachter, waarschijnlijk een binnenplaatsje, en het eerste gedeelte van de zuidvleugel. Het geheel was ook nu omgeven door een gracht. Aan de noordmuur van het poortgebouw heeft een latrineafvoer gezeten die in de gracht loosde. In de derde fase lijkt dan de noordvleugel te zijn verrezen, met een mogelijke datering van ca laatste kwart 14e eeuw. Dit maakt Berend III en/of Robert van Dorenweerd tot de waarschijnlijke bouwheer/heren. De nieuwe toegang kwam te liggen tussen de noordvleugel en de poorttoren die hierdoor van functie veranderde. Tijdens de vierde bouwfase is deze poorttoren verdwenen ten gunste van een grotere binnenplaats. Misschien werd hierna de ronde traptoren aan de oostvleugel toegevoegd. Het toevoegen van traptorens gebeurde in Nederland voornamelijk vanaf de 15e eeuw. Mogelijk wordt hierna de zuidvleugel met een ruimte uitgebreid. Tijdens de vijfde fase werd de binnenplaats aanzienlijk in westelijke richting uitgebreid, kwam er een nieuw poortgebouw en kreeg de zuidvleugel zijn laatste toevoeging. Ook verrees er een tweede traptoren die zuid- en oostvleugel verbond. Misschien werd nu ook het botenhuis aan de noordvleugel toegevoegd. In de zesde fase werd er een gang aan de zuidvleugel gebouwd. Mogelijk was er in de zesde fase ook een begin gemaakt met de grote toren op de ZW-hoek. Van Brakell had deze toren in 1844 herbouwd. Tijdens de laatste restauratie bleek dat de toegang tot de toren er later via de zuidvleugel was ingehakt. Een interpretatie hiervan zou kunnen zijn dat hierdoor de toren ouder is dan het aansluitende deel van de zuidvleugel. Een andere mogelijkheid is dat de toren wel aansloot op de zuidgevel maar dat deze ontsloten werd via de verdieping.
De oudst bewaarde rekeningen beslaan de jaren 1435-1436, maar hier laat zich niets uit afleiden.
De oorspronkelijke voorburcht besloeg een kleiner oppervlak dan de huidige. Deze werd uitgebreid in oostelijke richting. De bouwsporen van deze uitbreiding tekenen zich af in de zuidmuur van de voorburcht op ca vijf meter van de poortvleugel. Hier eindigde de vroegere voorburcht. Hieruit valt op te maken dat de gracht, die voor- en hoofdburcht in de middeleeuwse tijd gescheiden hield, ongeveer 12 meter breed moet zijn geweest. De huidige gebouwen als de poortvleugel, de voormalige paardenstallen, varkensstallen en het koetshuis stammen uit ca het midden van de 17e eeuw.

Baubeschreibung:

Tussen het midden van de 13e en het eind van de 13e eeuw is als eerste bouwdeel de oostelijke toren opgetrokken met een afmeting van ca 10 bij 15 meter. Deze toren was omgracht en bestond in oorsprong uit een kelder met waarschijnlijk een verdieping, voorzien van een schilddak. De borstwering zal kantelen hebben gehad.
De kelder heeft waarschijnlijk als keuken dienst gedaan, terwijl de begane grond voorzag in de woonruimte voor de heer. In de dikte van de westmuur bevonden zich muurtrappen. De oorspronkelijke toegang bevond zich ook in de westmuur, namelijk achter de huidige ronde traptoren. Wat volgens de stand van het onderzoek het meest voor de hand ligt, is dat vervolgens in de tweede bouwfase drie ruimten zijn toegevoegd aan de westmuur van de oostvleugel. Deze bestonden uit een poorttoren in het westen, een tweede ruimte erachter, waarschijnlijk een binnenplaatsje, en het eerste gedeelte van de zuidvleugel. Het geheel was omgeven door een gracht. Aan de noordmuur van het poortgebouw heeft een latrineafvoer gezeten die in de gracht loosde. In de derde fase lijkt dan de noordvleugel te zijn verrezen, met een mogelijke datering van ca laatste kwart 14e eeuw.
De nieuwe toegang kwam te liggen tussen de noordvleugel en de poorttoren. Later is deze poorttoren verdwenen ten gunste van een grotere binnenplaats.
De oorspronkelijke voorburcht besloeg een kleiner oppervlak dan de huidige. De gracht die voor- en hoofdburcht in de middeleeuwse tijd gescheiden hield moet ongeveer 12 meter breed geweest zijn.

Baugeschichte und -beschreibung
Die Hauptburg mit dem östlichen Turm, dem ersten Bauteil der Anlage entstand in der zweiten Hälfte des 13. Jh.s. Dieser Turm war etwa 10 x 15 m groß und von einem Graben umgeben. Der Keller hat wahrscheinlich als Küche gedient, während das erste Geschoss einen herrschaftlichen Wohnraum enthielt. In den Mauern befinden sich Mauertreppen. Der ursprüngliche Zugang befand sich in der Westmauer, nämlich hinter dem heutigen runden Treppenturm.
Man vermutet, dass in einer zweiten Bauphase drei Räumlichkeiten an der Westmauer des Ostflügels hinzugefügt wurden. Es handelt sich um einen Torturm Torturm im Westen, einen zweiten Raum hinter diesem Turm und einen ersten Abschnitt des Südflügels. Der ganze Burgkomplex war von einem Graben umgeben.
In einer dritten Bauphase hat man den Nordflügel erbaut. Das muss am Ende des 14. Jh.s geschehen sein, vermutlich erfolgte der Ausbau auf Weisung von Berend III und/oder Robert van Dorenweerd. Der neue Zugang befindet sich zwischen dem Nordflügel und dem Torturm. Später wird dieser Torturm zugunsten eines größeren Innenhofes abgerissen. Vielleicht wurde in dieser Periode auch der runde Treppenturm an den Ostflügel angebaut.
In einer fünften Bauphase wird der Innenhof nach Westen ausgebaut und der Südflügel verlängert. Ein zweiter neu errichteter Treppenturm verbindet Süd- und Ostflügel In der sechsten Bauphase wird die Burg weiter ausgebaut und erhält an der Südwestecke einen Turm. Van Brakell hat diesen Turm 1844 wieder aufgebaut.
Die Vorburg war ursprünglich kleiner als der heutige Wirtschaftshof. Zu einem unbekannten Zeitpunkt wurde die Vorburg nach Westen ausgebaut. In der Südmauer kann man noch Spuren dieser baulichen Aktiviäten erkennen. Die heutige Gebäude wie das Torhaus, die alten Pferdeställe, Schweineställe und das Kutschhaus wurden Mitte des 17. Jh.s errichtet.
Ausgehend von dem sehr wahrscheinlich in der zweiten Hälfte des 13. Jh.s entstandenen Turmes, wir die Burg in verschiedenen Bauphasen zu einem mehrflügeligen Ensemble mit Treppentürmen erweitert. Den gesamten Burgkomplex umgibt ein Graben.
L.S. und L.v.d.W.

Arch-Untersuchung/Funde:

na W.O.II door Van Beveren (mondelinge mededeling J. Renaud)