EBIDAT - Die Burgendatenbank

Menu

Bottestein

Geschichte:

In 1439 bleek het huis Bottestein eerder in het bezit te zijn geweest van Frederik uten Ham. Het bleef in zijn leenkamer. Jan uten Ham, oom van de latere maarschalk, had het leen geruime tijd bezeten. Behalve het huis en 40 morgen, een aaneengesloten complex tussen de Oude Rijn en de Vleuterweidse wetering, omvatte de leenbrief zo'n 100 andere morgens elders in het westen van de provincie. Dit leen werd reeds in de zestiende eeuw gesplitst, waarbij voortaan alleen het huis en de daarbij liggende landerijen als "Bottestein" werden geregistreerd. Bottestein kwam door het huwelijk van Johan uten Hams dochter Mechteld met Govert de Coninck in het geslacht De Coninck. Op 15 februari 1538 werd Bottestein erkend als ridderhofstad. In het begin van de zeventiende eeuw (nadat opeenvolgend Gerbrand Verduyn, Henrica van Schoordijk en Arnold van Meverden van de Ven het goed bezaten) kwam Bottestein in handen van Herman Valkenaar en reeds enkele dagen later zijn broer Hendrik Valkenaar. Vanaf dat moment (ca. 1630) splitste het leen. De hofstede Bottestein omvatte voortaan nog slechts 1 morgen, 4 hond en 68 roeden. De overige 40 morgen land die rondom Bottestein lagen gingen een eigen leven leiden, zij het als leen van Den Ham: in 1709 is sprake van een boerenhuis, hofstede met toebehoren, een schuur en twee hooibergen. De erfgenamen van Hendriks zoon Carel Valkenaar droegen in 1685 Bottestein over aan Pieter Hendrik van Ravenswaay, heer van Den Eyk en De Hegge, die in 1703 kinderloos overleed. Zijn broer Arnold Ysbrand droeg Bottestein over aan Hendrik van Utenhove. Vijf generaties lang bleef het huis in deze familie, die ook lange tijd Amelisweerd heeft bezeten. Reeds voor de tweede helft van de 18e eeuw schijnt het huis te zijn afgebroken. Maximiliaan Louis baron van Utenhove verkocht in 1855 de hofstede aan Jhr. Willem Elisa Ram. Merkwaardig is dat de Geheymschryver het in 1760 een aanzienlijk huis noemt en dat het volgens de Tegenwoordige staat in 1772 al jaren was afgebroken. Een afbraak na 1731 is toch bijna onvoorstelbaar omdat Pronk in dat jaar alleen de schuur tekent. Al met al neigen we naar een vroeg 18e eeuwse afbraak.

Bauentwicklung:

Bottestein komt voor het eerst voor in 1439 en zal toen dus al hebben bestaan; een jaar later namelijk werd Jan uten Ham, een aanzienlijk lid van de Ridderschap er door zijn neef Frederik mee beleend, als kern van een pakket lenen van ruim 100 morgen. De oudst bekende afbeelding van Bottestein wordt wegens eigen opschrift gedateerd op 1570. Gezien het wat knullige perspectief is dat mogelijk, maar evengoed kan het hier gaan om een kopie van de verloren gegane Roghman. Hoe dit ook zij, zeer waarschijnlijk is de prent voor 1674 ontstaan: de spitse kerktoren van het nabij gelegen dorp Vleuten werd in dat jaar door de vreselijke storm weggereten. De tekening toont een aanzienlijk huis, met een rechthoekige woontoren, een woonvleugel, een ommuurd pleintje, dat vanaf de brug via een poort toegankelijk was.
De woontoren telde boven het souterrain twee verdiepingen. De bovenste verdieping werd bekroond door een hoog zadeldak met dakkapel. Aan de basis van het dak had de toren uitkragende arkeltorentjes en kantelen. De woonvleugel had boven het souterrain een verdieping met een gekanteelde borstwering. Het hoge zadeldak had twee dakkapellen en twee hoge schoorstenen. In de hoek tussen de beide bouwmassa's bevond zich een ranke traptoren met een hoge spits en vier dakkapellen. Voor de poort lag een kleine ophaalbrug, in het verlengde van een langere vaste brug. Op grond van deze afbeelding mag worden geconcludeerd, dat het om een object gaat, dat als statussymbool moet hebben gediend. In dit verband mag wellicht een parallel met het huis te Vleuten worden getrokken: beide huizen waren in het eind van de vijftiende eeuw in leen uitgegeven aan telgen uit het geslacht Uten Ham. Evenals het huis Den Ham zelf waren ze misschien uitingen van de overlevingsdrang van de familie, na alle problemen in de Stichtse burgeroorlog. Een andere anonieme tekening uit 1700 toont het grote gebouw de kruisvensters. De toren ontbreekt, hetgeen merkwaardig is omdat het latere gebouwtje juist een restant van de toren lijkt te zijn.
Naast de anonieme afbeeldingen zijn er nog een tekening van Serrurier naar Pronk (oorspr. 1731), en een ongedateerde aquarel van Dirk Verrijk bewaard gebleven. Beide beeldenenkel een eenvoudig rechthoekig gebouw af en dus is het oorspronkelijke gebouw voor 1731 afgebroken. Dit latere gebouw was één verdieping hoog en was gedekt door een zadeldak. Het is niet na te gaan of dit stenen gebouw een restant van het kasteel is. Achter het gebouw tekenden Pronk en Verrijk nog een boerderij. Dit is wellicht de boerderij waartoe het complex grond behoorde, dat aanvankelijk samen met Bottestein in de leenbrieven voorkomt. Van de gracht van het voormalige stenen huis zien we in elk geval niets. Een blik op de kadastrale minuut van 1821 leert overigens snel, dat er toen ook geen restant van het huis meer aanwezig was.

Baubeschreibung:

De niet geheel betrouwbare tekening uit de 16e eeuw toont een aanzienlijk huis, van ongeveer 15 x 15 meter, met een rechthoekige woontoren, een woonvleugel en een ommuurd pleintje, dat vanaf de brug via een poort toegankelijk was.
De woontoren telde boven het souterrain twee verdiepingen. De bovenste verdieping werd bekroond door een hoog zadeldak met dakkapel. Aan de basis van het dak had de toren uitkragende arkeltorentjes en kantelen. De woonvleugel had boven het souterrain een verdieping met een gekanteelde borstwering. Het hoge zadeldak had twee dakkapellen en twee hoge schoorstenen. In de hoek tussen de beide bouwmassa's bevond zich een ranke traptoren met een hoge spits en vier dakkapellen. Voor de poort lag een kleine ophaalbrug, in het verlengde van een langere vaste brug.